The Bible › Canisiusvertaling 1939 › Genesis 2
Toen vormde Jahweh God den mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.
Genesis 2:7 · Canisiusvertaling 1939
← PreviousRead Genesis 2Next →
And the LORD God formed man of the dust of the ground, and breathed into his nostrils the breath of life; and man became a living soul.
Then the LORD God formed man from the dust of the ground and breathed the breath of life into his nostrils, and the man became a living being.
The LORD God formed man from the dust of the ground, and breathed into his nostrils the breath of life; and man became a living soul.
Every translation above is public domain and free to share. Other versions — NIV · ESV · NKJV · NLT · NASB · CSB · AMP — are copyrighted and open on their publishers’ partner site.
4 Dit is de scheppingsgeschiedenis van hemel en aarde. Toen Jahweh God aarde en hemel gemaakt had,
5 groeide er op aarde nog geen enkele struik in het wild, en evenmin ontsproot er gras op de velden; want Jahweh God had het nog niet laten regenen op aarde, en er was nog geen mens, om het land te bewerken;
6 maar een damp steeg op uit de aarde, die heel de aardbodem drenkte.
7 Toen vormde Jahweh God den mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.
8 Nu plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daarin den mens, dien Hij gemaakt had.
9 Uit de bodem liet Jahweh God allerlei bomen opschieten, prachtig van vorm en met heerlijke vruchten; en midden in de tuin stond de levensboom, en de boom der kennis van goed en kwaad.
10 In Eden ontsprong een rivier, die de tuin bevloeide, en zich verderop in vier takken splitste.
Read Genesis 2 in the app The whole chapter