The Bible › Canisiusvertaling 1939 › 1 Chronicles 7
De zonen van Neftali waren: Jachaziël, Goeni, Jéser en Sjalloem; ze waren kinderen van Bilha.
1 Chronicles 7:13 · Canisiusvertaling 1939
← PreviousRead 1 Chronicles 7Next →
The sons of Naphtali; Jahziel, and Guni, and Jezer, and Shallum, the sons of Bilhah.
The sons of Naphtali: Jahziel, Guni, Jezer, and Shallum —the descendants of Bilhah.
The sons of Naphtali: Jahziel, Guni, Jezer, Shallum, and the sons of Bilhah.
Every translation above is public domain and free to share. Other versions — NIV · ESV · NKJV · NLT · NASB · CSB · AMP — are copyrighted and open on their publishers’ partner site.
10 De zoon van Jediaël was Bilhan; de zonen van Bilhan waren: Jeöesj, Binjamin, Ehoed, Kenaäna, Zetan, Tarsjisj en Achisjáchar:
11 allen zonen van Jediaël en familiehoofden. Hun afstammelingen waren dappere mannen, en telden zeventienduizend tweehonderd dienstplichtigen.
12 Sjoeppim en Choeppim waren zonen van Ira; Choesjim was de zoon van Acher.
13 De zonen van Neftali waren: Jachaziël, Goeni, Jéser en Sjalloem; ze waren kinderen van Bilha.
14 De zonen van Manasse waren vooreerst Asriël, die een ongenoemde hem schonk. Dan schonk zijn aramese bijvrouw hem Makir, den stamvader van Gilad.
15 Makir nam een vrouw voor Choeppim en Sjoeppim; zijn ene zuster heette Maäka, de andere Selofchad. Selofchad kreeg dochters,
16 maar Maäka, de vrouw van Makir, kreeg een zoon, dien ze Péresj noemde; zijn broer heette Sjéres, en zijn zonen: Oelam en Rékem.
Read 1 Chronicles 7 in the app The whole chapter